|
“Komt die
caravan!!!”
“Gaat-ie rijden denk ik, … nee.”
“Technisch goede caravan is dat toch.”
“Moet rijden nu, doet dat ook, laat dat zien.”
“Laranja…
Laranja… LARAAANJAAAAAAA!!!”
“Dat moeten we dan in de herhaling nog maar eens bekijken.”
“Caravana Laranja-jongens doe dat nou niet.”
“Caravan oranje
lijkt mij de beste oplossing …, maar dit is natuurlijk ook niet
slecht.”
“Leuk werk hoor, van die zes voetbalgekke vrienden …, daar hebt u
ze.”
“Dat wordt een aanrijding, denk ik.”
“Ik zou maar eens parkeren, joh. Doet-ie!”
“Caravana
Laranjaaaaaaaa!!! Prachtig. Wat een caravan .. Tsjonge jonge.”
“Tsja… dit is een goed project hoor.”
“Twee weken Portugal. Vind het eerlijk gezegd wat geflatteerd.”
“Het is weer genieten hier in Portugal.”
“Die caravan
hadden u en ik ook nog gemaakt.”
“Die caravan bevalt me wel.”
“En dan houden we er hier mee op in Portugal.”
“Had die caravan natuurlijk moeten stiften.”
“Laranjaaaaaaah.
Nou! Wat scheelt het?”
“Caravanaatje, Caravanaatje, wat doe je nu?”
“Gaan we kijken of-ie ook een trekhaak heeft. Heeft-ieeeeeeee!”
|